Michel Petrucciani - Live At Kuumbwa (Elemental Music)
Het is moeilijk om iets te schrijven over pianist Michel Petrucciani (1962-1999) zonder te beginnen over zijn fysieke problemen. Hij bestond uit weinig meer dat hart, hoofd en handen. "He must have been out to lunch when they were handing out bodies'’, schreef Gene Lees. Deze dwerggroei – hij mat iets meer dan één meter – was het gevolg van een zeldzame beenderenziekte die bij hem ook de levensverwachting beïnvloedde, als gevolg van hart- en ademproblemen.
Hij zou maar 36 worden en scheen dat te hebben geweten, zo zeggen getuigen in het boekje bij de cd Live At Kuumbwa en op de lp-hoes. Wát we zeker weten, is dat al die organen opgepropt zaten in een piepklein lijf en dat hij voortdurend zijn broze botten brak. We weten ook dat hij, zo zegt zoon Alexandre, leefde als een ‘bon vivant’, zacht uitgedrukt. Drank, nachtleven en van alles wat we ons daarbij voorstellen. Hij ‘had geleefd’, zeggen we dan.
Dat gold ook voor zijn muziek. Voor loos gefiedel had hij geen tijd. Hij ging tot het gaatje, met wie en waar hij ook speelde. Na afloop kon je zijn kleren uitwringen. Ook zijn fikse aanslag en heftige virtuositeit vielen op. Al verwacht je misschien van zo’n gekweld persoon een ascetische aanpak.
Hij manifesteerde zich als een triomfantelijke klavierleeuw, ongeacht zijn lichamelijke klachten en de vermoeienis van al dat reizen. ,"My last tour was murder", zei hij bij één van de twee keer dat we elkaar spraken, "Gemiddeld vier, vijf uur slaap per nacht!"
De eerste keer was een kort interview, want hij had geen belangstelling voor wat hij beschouwde als een lokaal verslaggevertje. De tweede keer was telefonisch, vanuit New York. Hij had zichzelf accentloos Amerikaans leren spreken en kwam zéér assertief over. Wie niet met goede vragen kwam, werd afgepoeierd. Ik wist het deze keer bijna een uur te rekken, zie mijn bundel ‘So Near So Far’.
Dan nu dit album, dat verkrijgbaar is als dubbel-lp en enkele cd. Het bevat een concert in het Kuumbwa Jazz Center, Santa Cruz (Californië) dat zonder commerciële plannen werd opgenomen. Petrucciani was 24 jaar en werkelijk in topvorm. De ideeënstroom hapert geen seconde, maar de ideeën verdringen elkaar niet. In latere jaren werd zijn spel wel eens overvol, als dat van de latere Oscar Peterson of de latere Bill Evans; kennelijk een beroepsrisico onder virtuozen. Maar hier weet hij te doseren.
Aardig is dat het Amerikaanse label op die immense lp-hoes (dan wel in het cd-boekje) ook enkele Europeanen aan het woord laat die hem wel degelijk hebben gekend. Een Franse kennis komt met een mooie samenvatting: "…. he was daring like an explorer, strong like a bulldozer and fragile like a flower."
Slagwerker Eliot Zigmund – te horen op dit album – en pianist Enrico Pieranunzi komen met dezelfde observatie: Petrucciani was aanvankelijk een zeer Europese pianist die zijn impressionisten kende en van daaruit bij Bill Evans belandde. Maar toen hij zich voor langere tijd in de VS vestigde, kwamen er meer blues, funk en bebop in zijn spel. Zigmund vergelijkt hem met ‘harder swingers’ onder wie McCoy Tyner en Chick Corea. Dat keiharde swingen doet hij nadrukkelijk op deze avond in Santa Cruz. Al moeten we nooit vergeten dat hij als kind al Oscar Peterson naspeelde.
Het hele trio excelleert; inclusief bassist Dave Holland, die voor kortere tijd kwam invallen maar uiteraard geen onvertogen woord sprak. Hij toont zich in het geheel niet in verlegenheid gebracht door de vele afwijkende akkoorden die de leider hem toewerpt, en de vele bassolo’s die hem worden toebedeeld.
In het repertoire vinden we naast vertrouwd eigen werk zoals Eugenia ook standards waaronder My funny Valentine. Hij speelt dit in een vlot tempo en maakt er haast een blues van. Menig stuk krijgt een wild, zeer spontaan intro waarna bas en drums zelfverzekerd invallen en de achtbaan van start gaat.
Twee uitersten worden bereikt in enerzijds Mike P blues, waarin Petrucciani het 12-matenschema duizelingwekkend en werkelijk volstrekt binnenstebuiten keert, en anderzijds Morning blues, wat in het geheel geen blues is maar een sober, zich voortslepende ballad. De pianist houdt zo te horen niet van vroeg opstaan en daar kunnen we ons iets bij voorstellen.
Deze opname zou een waarlijk klassieke status kunnen bereiken als de geluidskwaliteit perfect was. Maar dat is-ie niet: de piano klinkt wat schel en in het hoge register lijkt tenminste één toets niet helemaal zuiver te zijn. Het is niet anders. We doen het ermee, want het concert was formidabel.
Bezetting:
Michel Petrucciani (piano),
Dave Holland (bas),
Eliot Zigmund (drums).



