UITGELICHT DETAIL
In ‘Verborgen klanken’, een inventarisatie van relevante artikelen en passages in niet-specifieke teksten, signaleerde ik een foto van Cas Oorthuys op het omslag van het tijdschrift ‘Wij’ van 22 maart 1935. De omschrijving luidde: ‘Omslag toont foto van lachende negerjongen met trompet’, niet wetende wie die ‘jongen’ was. Naar nu blijkt was dat Teddy Cotton, als Theodoor Kantoor in 1912 geboren in Suriname. Hij was als verstekeling naar ons land gekomen, daarbij misschien geholpen door zijn twee jaar oudere broer, bassist Eddy, die als zeeman had aangemonsterd op een schip van de KNSM, die de lijndiensten onderhield tussen het Caribische gebied en Europa. Daartoe deden ze ook de de Verenigde Staten aan en zodoende had Eddy in New York gelegenheid kennis te nemen van de nieuwe muziek.
We vernemen dit uit een boek met een wat vage titel, dat gepaard gaat aan de huidige, gelijknamige tentoonstelling in Amsterdam over de migratie uit die streken en de invloed op het vermaak, en met name de muziek in Nederland in de jaren dertig.
De inleiding van redacteur Mark Ponte is het langste van alle hoofdstukken en bevat meteen ook de tekst waarin het meeste al wordt gezegd. De andere stukken behandelen een aspect en zijn daar min of meer een uitvergroting van. Zo gaan die over een paar muzikanten, zoals genoemde Teddy Cotton en zijn broer, saxofonist Kid Dynamite en gitarist-trompettist Mike Hidalgo, enkele vrouwen en het ‘rassenprobleem’. Walter van de Leur, de enige bekende in dit gezelschap, belicht dan nog eens de houding van het blad ‘De Jazzwereld’ in deze. De gevolgde werkwijze leidt overigens wel tot enige herhalingen.
In de rubriek ‘Beeldessay’ krijgen we enkele spaarzame momenten te zien waar een en ander op film vastgelegd is. Een wat weidse naam voor een paar niet zulke beste ‘stills’. Een daarvan is uit de korte speelfilm 'Ballade van den Hoogen Hoed'. Daar had de naam van de regisseur, onze pionier op filmgebied, wel even bij mogen staan: Max de Haas.
In advertenties was het een extra aanbeveling als je kon vermelden dat de optredende artiest van negroïde afkomst was. Dan was het pas echt. Maar niet iedereen blijkt een getalenteerd musicus, schrijft Ponte (p. 14), zodat sommigen van hen het zochten in de horeca of zich ontwikkelden tot danser (De uitgaansindustrie blijft trekken!). Ook stonden ze model voor schilders en fotografen; er was vraag naar. Zo zijn van de vrouwelijke schilder Nora Hatterman enkele portretten bekend geworden en stelde Cas Oorthuys met zijn foto’s zelfs een fictieve band samen.
Het boek is ruim opgezet: grote kapitalen als inleiding, het gebruik van wisselende steunkleuren, en het fotomateriaal krijgt het volle pond. Gelet op het feit dat het eigenlijk een bijproduct is van de tentoonstelling zelf, is dat alleen maar te waarderen. Die zal ook meer bieden dan in boekvorm mogelijk is. Zo wijst Ditmer Weertman in het NJA-Bulletin van maart jl. op een foto van Coleman Hawkins (die waarbij trombonist Pi Scheffer iets van de grond opraapt), een foto die in het boek niet voorkomt. Anderzijds voegt hij in het blad een foto toe van het trio Freddy Johnson (met een jonge Max Woiski op tenorsax), die juist wel in het boek staat (p. 77).
Voor de gegevens zijn de redacteuren te rade gegaan bij primaire bronnen, zoals het Stadsarchief van Amsterdam, waar een aantal van hen werkzaam is. Zo wisten ze zelfs de adressen te achterhalen in de woonwijk waar ze hun intrek hadden genomen. Met betrekking tot de gedrukte pers is Delpher ingeschakeld, zelfs nog in januari en februari van dit jaar! Met muziek heeft het allemaal echter weinig te maken. Eén omschrijving: Eddy Cotton zou een uitzonderlijk contrabassist zijn geweest (p. 29). Vraag: op grond waarvan?
Terzijde: zijn er in deze wel eens vergelijkingen getrokken met de ontwikkelingen in de buurlanden van Suriname: Brits en Frans Guyana? Zijn die totaal anders? Daar hoor je nooit over.
Het wekt bevreemding dat eerdere uitgaven, waarin, weliswaar verspreid, veel van dezelfde beweringen voorkomen, nergens worden genoemd; een selectieve bibliografie had dat bijvoorbeeld kunnen verhelpen (zie voetnoot). Kortom: weinig nieuwe informatie, maar handzaam bijeengebracht voor de beoogde opzet. De tentoonstelling loopt nog tot en met 13 september.
Mark Ponte e.a. (red). Jazzjaren : mensen, migratie en muziek in Amsterdam, 1930-1939
Zwolle : WBOOKS i.s.m. Stadsarchief Amsterdam, 2026
95 p. : ill. ; 27x22 cm. – ISBN 978-94-625-8780-9 ing. met flap
Prijs 24,95 euro
Voetnoot:
Ik doel hier op uitgaven als de volgende:
Marcel Weltak (red.) - Surinaamse muziek (1990)
Herman Openneer - Kid Dynamite (1995)
Rudie Kagie – De eerste neger (2006)
Black is beautiful (expositie, 2008)
Alice Boots & Rob Woortman – Cotton Club (2014)
Patrick van den Hanenberg over Max Woiski (2016)
Lizzy van Leeuwen - Volksvreemd vermaak (2023)
Elisabeth Koning & Wilfred Takken – Zwart op wit (2023)



